KWALONAccess_open

Boekbespreking

De praktijk van onderzoek doen

Auteurs
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Ronald Piters. (2005). De praktijk van onderzoek doen. KWALON (10) 2, .

      N. Verhoeven. Wat is onderzoek?: Praktijkboek methoden en technieken voor het hoger beroepsonderwijs. Amsterdam: Boom, 2004, 270 p. ISBN 90 5325 912 8. € 25,– [incl. cd-rom]

      De inleiding van dit boek is zoals het betaamt en stelt onderzoeken voor als het stellen van de juiste vragen, zoals: 'Wat is onderzoek doen eigenlijk'? en 'Hoe zet je een onderzoek op'? Deze vragen worden samen met de opbouw van het boek besproken aan de hand van het onderzoeksproces: ontwerpen, verzamelen, analyseren en evalueren.

      Hoofdstuk 1 gaat eerst in op de functie van onderzoek. Het onderscheid tussen fundamenteel en praktijkgericht onderzoek komt daarbij niet goed uit de verf. Wetenschappelijk versus toegepast onderzoek was duidelijker geweest. Daarnaast gaat Verhoeven met het noemen van minder gangbare onderzoeksstromingen te gemakkelijk voorbij aan het feit dat elk onderzoek in feite interpretatief is en kritisch dient te gebeuren. De driedeling 'beschrijvend', 'oorzakelijk' of 'voorspellend' onderzoek in De Pelsmacker en Van Kenhove (2002) centraliseert het doel van onderzoek beter. Daarnaast worden de betrouwbaarheid en validiteit van onderzoek pas in een laat stadium besproken.

      Met hoofdstuk 2 begint deel 1 over het ontwerpen van onderzoek. De auteur geeft terecht aan dat naast objectiviteit, de onderwerpskeuze en probleemafbakening, ook de onderwerpsoriëntatie en informatieverzameling van belang zijn. Om goed beslagen ten ijs te komen met een zoekopdracht, presenteert Verhoeven zes zoekregels voor informatie en noemt zij belangrijke weetjes waarmee het aantal hits bij de zoekgang van internet is te beperken. Het logboek voor de ordening van informatie wordt ietwat uitvoerig behandeld.

      Hoofdstuk 3 behandelt de probleemafbakening zodanig dat gestelde leerdoelen kunnen worden behaald. Verhoeven stelt daarbij de uitgangspunten voor een onderzoeksplan scherp met een eigen 6W-formule van probleemanalyse en presenteert een aantal (deel)vraagtypen met voorbeeldvragen. Hoewel daaruit meteen de onderzoeksmethode zou zijn af te leiden, is dat wellicht voor sommige lezers niet zo. Wél helder zijn het boomdiagram voor ontrafeling van de probleemstelling en de modelmatige presentatie van relaties tussen variabelen. Aan de hand van een voorbeeldinhoudsopgave en gerichte vragen wordt daarnaast apert welke (overige) aspecten onderdeel zijn van een onderzoeksvoorstel en hoe zo'n voorstel te beoordelen.

      Hoofdstuk 4 verschaft inzicht in de onderzoeksmethoden. Verhoeven integreert nu wél de specifieke methode per vraagtype (p.85). Onduidelijk is vervolgens waarom de auteur communicatieonderzoek als aparte onderzoeksvorm aanhaalt. De methoden om dit onderzoek uit te voeren, zijn namelijk niet wezenlijk anders, zodat een integratie met de voorafgaande paragrafen had volstaan. Daarnaast wekken sommige pagina's de indruk alsof ze met haast zijn geschreven. Zo is in kader 4.8 de laatste zin niet af, ontbreekt het woord 'van' in de tweede zin voor paragraaf 4.2, staat er 'betrekken' in plaats van 'betrekking' in de tweede zin boven kader 4.20, 'diee' in plaats van 'die' in de derde zin van de tweede alinea van paragraaf 4.3 op pagina 110.

      Hoofdstuk 5 maakt puntsgewijs duidelijk waaruit een goede vragenlijst dient te bestaan en wat goede en slechte vragen en antwoorden zijn. Vervolgens komen de codering en operationalisatie van de vragen aan bod en wordt het verschil tussen populatie en steekproef uitgelegd. Enige onduidelijkheid laat de auteur echter bestaan tussen de begrippen 'operationele populatie' en 'steekproef'.

      Met hoofdstuk 6 maakt Verhoeven een begin met deel 2 (of II ?): het verzamelen en analyseren. Het verzamelen wordt uitgewerkt aan de hand van de schriftelijke vragenlijst en het open interview. Ondanks het feit dat dit hoofdstuk het een en ander herhaalt, ontstaat een goed beeld van te nemen beslissingen over het uitzetten van de enquête en de voors en tegens van schriftelijk tegenover telefonisch of persoonlijk enquêteren en van online onderzoek versus onderzoek per gsm.

      Hoofdstuk 7 behandelt de kwantitatieve analyse op beginnersniveau; voorkennis van statistiek is overbodig. Aan bod komen meetniveau van variabelen en een bondige uitleg over de wijze waarop univariate analyses kunnen worden gemaakt en weergegeven. De kenmerken van de verschillende grafiektypen worden overzichtelijk in een figuur gepresenteerd. De analysebespreking stopt met de bivariate analyses, terwijl er zoveel meer is – ook in het toegepaste onderzoek. De betrouwbaarheid en validiteit worden nu wel uitvoerig besproken.

      Hoofdstuk 8 bespreekt de kwalitatieve analyse: de tekstuele of inhoudsanalyse en Verhoeven noemt handige hulpmiddelen zoals het reeds genoemde boomdiagram en het computerprogramma Kwalitan 5.0. Verhoeven eindigt met plausibele argumenten waarom de geldigheid van resultaten bij kwalitatief onderzoek niet ter discussie hoeft te staan.

      De hoofdstukken 9 en 10, tot slot, vormen terecht deel 3 en zijn geheel gewijd aan de conclusie en discussie en het schrijven van de onderzoeksrapportage.

      De bijgeleverde cd-rom bewijst zijn nut vooral door de uitwerking van de opdrachten en de ontwerpcasussen. Daarnaast is per hoofdstuk een opsomming van extra materiaal in de vorm van literatuuropgaven en verwijzingen naar relevante websites. In een onderwijsomgeving is dit alles erg bruikbaar. De inleiding SPSS daarentegen, is summier en beperkt zich tot de data-invoer en een oppervlakkige inspectie van de ingevoerde gegevens.

    • Conclusie

      Wat is onderzoek? is een heldere inleiding in de methoden en technieken van – vooral – toegepast onderzoek. Aan de hand van praktijkvoorbeelden krijgt de lezer (student, onderzoeker of docent) een overzicht van de essentie van onderzoek doen zonder te verdrinken in de hoogdravende en soms overbodige analyse- en methodenbeschrijvingen van veel andere werken over dit onderwerp. Wél bevat het boek enige redundantie en staan de criteria betrouwbaarheid en validiteit door het boek verspreid. En drie hoofdstukken over probleemformulering en -afbakening is te veel. Voorts is het de vraag of studenten na het doorwerken van dit boek een antwoord kunnen geven op de titelvraag. Een titel als 'Fasen van het onderzoeksproces' zou de lading beter hebben gedekt.

      Voor kwalitatieve onderzoekers is paragraaf 4.2, over vormen van kwalitatief onderzoek, en hoofdstuk 8, over tekstuele analyse, nuttig. Voor mensen die daarnaast ook willen weten wat kwantitatief onderzoek te bieden heeft, is het boek een goede inleiding. Voor puur kwalitatief onderzoek zijn allicht betere werken voorhanden.

    • Literatuur
    • Pelsmacker, P. de & P. van Kenhove (2002) Marktonderzoek: methoden en toepassingen. (4e druk). Leuven: Garant.


Print dit artikel